Wiki Ecologische Waterbeoordeling WEW-lid? Log dan vooral in:
B. Technisch deel > 4. Instrumenten   |   vorige  |  volgende 
  Geschiedenis
Lezen
Bewerken
Overleg

9. Natuurwaardenmaatlat sieralgen

Natuurwaardesysteem

Wat houdt dit in?

Coesel publiceerde zijn natuurwaardesysteem in 1998. Met dit systeem beoordelen we de natuurwaarde van een water in relatie tot sieralgen, op een schaal van 0 tot 10. De score berekenen we uit het aantal sieralgsoorten in het monster, hun zeldzaamheid en hun signaalwaarde. De signaalwaarde zegt iets over de gevoeligheid van de soort voor verstoring, of, met andere woorden, de mate waarin de soort gebonden is aan uitgebalanceerde milieus met een voorspelbare dynamiek. Deze milieus zijn kwetsbaar en hebben na verstoring tientallen jaren nodig voor herstel van de oude toestand. Het rapportcijfer zegt alleen iets over de kwaliteit van het milieu in relatie tot de potentiële ontwikkeling van een sieralgenflora; het cijfer 10 hoort bij sieralggemeenschappen die overeenkomen met wat we in een referentiesituatie kunnen verwachten.

Toepasbaarheid

Het natuurwaardesysteem kan worden gebruikt voor allerlei soorten stilstaande wateren, mits zoet en niet droogvallend. Het systeem is niet toepasbaar voor een natuurwaardebepaling van stromende of brakke wateren, omdat sieralgen in deze milieus nauwelijks gedijen.

Werkwijze

  1. Voor het bepalen van de natuurwaarde van een water hebben we als input de soortensamenstelling van sieralgen nodig in dit water. Daartoe moeten we een op sieralgen gerichte bemonstering uitvoeren en de aanwezige soorten door microscopisch onderzoek op naam brengen (zie Bijkerk 2010). Het is voor deze toepassing niet nodig om de dichtheid van de soorten te bepalen, het gaat om het aantal soorten. Dat houdt in dat er geen onderscheid tussen variëteiten gemaakt moet worden, tenzij het gaat om variëteiten waarvan men kan verwachten dat zij vroeg of laat tot aparte soort verheven zullen worden.
  2. Aan elke soort koppelt men de zeldzaamheids- en signaalwaarden, volgens de meest actuele lijst (anno 2016 is dat de lijst op de cd bij het boek van Coesel & Meesters 2007).
  3. Vervolgens tellen we het aantal soorten en berekenen we de som van de zeldzaamheidswaarden en de som van de signaalwaarden. Dit aantal en beide sommen levert punten op (0 tot 3 à 4), die we opzoeken in de tabel in Coesel (1998). Hierbij moeten we wel hebben kunnen vaststellen of we te maken hebben met een zuur, zwak zuur, of neutraal-alkalisch watertype, omdat de puntentelling verschilt tussen deze drie typen.
  4. De som van het aantal punten is de natuurwaarde.

Ecologische typering

Wat houdt dit in?

Aan de Nederlandse sieralgsoorten zijn ook indicaties meegegeven die informatie geven over de zuurgraad en trofiegraad van het milieu waar zij bij voorkeur in verblijven (Coesel 1998, Coesel & Meesters 2007). Met behulp van deze indicaties kan men aan de hand van de soortensamenstelling een typering maken van de zuur- en trofiegraad van het water waarin deze soorten gevonden zijn.

Toepasbaarheid

De typering kunnen we toepassen op allerlei soorten stilstaande wateren, mits zoet en niet droogvallend.

Werkwijze

  1. Voor de typering van de zuur- en trofiegraad van een water hebben we als input de soortensamenstelling van sieralgen nodig in dit water. Daartoe moet er een op sieralgen gerichte bemonstering worden uitgevoerd en moeten de aanwezige soorten door microscopisch onderzoek op naam wordn gebracht (zie Bijkerk 2010). Het is voor deze toepassing niet nodig om de dichtheid van de soorten te bepalen, het gaat om het aantal soorten. Dat houdt in dat we evenmin onderscheid moet maken tussen variëteiten, tenzij het gaat om variëteiten waarvan men kan verwachten dat zij vroeg of laat tot aparte soort verheven zullen worden.
  2. Aan elke soort koppelen we de preferentie qua zuur- en trofiegraad, volgens de meest actuele lijst (anno 2016 is dat de lijst op de cd bij het boek van Coesel & Meesters 2007).
  3. Vervolgens tellen we het aantal soorten per zuur- en trofiegraadklasse op en geven we het resultaat weer in een tabel of staafdiagram.
  4. Men kan ook de zuur- en trofiegraadklassen uitdrukken in een getal (bijvoorbeeld oligotroof = 1, oligo-mesotroof = 2, mesotroof = 3) en door verrekening met het aantal soorten per klasse een gewogen gemiddelde berekenen. Als dat 2,6 wordt geeft dit aan dat de trofiegraad in ons voorbeeld beschreven kan worden als 'zwak-mesotroof'.

Rode lijst

Wat houdt dit in?

Door Coesel (1998) is een Rode Lijst van sieralgen opgesteld. Deze voldoet echter niet aan de IUCN- of itz-criteria. Op deze informele Rode lijst staan soorten die goed herkenbaar zijn, een hoge signaalwaarde hebben met betrekking tot een kwetsbaar milieu en zeldzaam zijn als gevolg van aantasting van de habitat. De soorten op deze lijst weerspiegelen dus verlies van habitat. In 2007 is een aantal soorten op grond van actuele verspreidingsgegevens van deze lijst gehaald (zie Coesel & Meesters 2007).

Beschrijving

Bij het opstellen van de Nederlandse Rode Lijst voor sieralgen zijn de volgende drie criteria gehanteerd (Coesel 1998, p 24):
  1. De soort mag niet of nauwelijks te verwarren zijn met andere soorten;
  2. De soort moet een hoge signaalwaarde (s = 2 of 3) hebben met betrekking tot een kwetsbaar milieutype. s = 1: laag-indicatief, de soort komt ook wel in minder stabiele systemen voor. s = 3: hoog-indicatief, de soort lijkt gebonden aan rijk gestructureerde, uitgebalanceerde ecosystemen, die na eventuele vernietiging tenminste tientallen jaren behoeven voor herstel van de oude toestand;
  3. De soort moet zeldzaam zijn (r = 2, zeldzaam of 3 zeer zeldzaam) en de zeldzaamheid moet te herleiden zijn tot een sterke bedreiging van het habitat. Zeldzame soorten die, blijkens de archieven, ook al aan het begin van deze eeuw slechts sporadisch werden aangetroffen, komen dus niet in aanmerking.

De Nederlandse ‘Rode Lijst’ van Coesel (1998) omvat 94 soorten (ongeveer 20% van de flora). Deze lijst is officieel geen echte ‘Rode Lijst’ omdat de lijst op een subjectieve manier tot stand is gekomen. De gebruikte (historische) gegevens over sieralgen zijn vooral kwalitatief van aard, waardoor geen ‘echte’ Rode Lijst op te stellen is volgens de vijf criteria (A - E) beschreven door de IUCN (2001). De door de IUCN gehanteerde criteria gaan uit van abundanties en hangen samen met: 
  • de achteruitgang van populaties (criterium A);
  • hun geografische verspreiding (criterium B);
  • de absolute populatiegrootte (criterium C en D);
  • de kans op uitsterven van het taxon (criterium E).

De ‘Rode Lijst’ van Coesel is in feite een lijst van sieralgensoorten die indicatief zijn voor habitatachteruitgang. Sieralgen worden niet genoemd in het hoofdstuk ‘Bedreigde planten en dieren’ van het Natuurcompendium (Van Duuren et al. 2003). In de itz-lijst van het Handboek Natuurdoeltypen (Bal et al. 1995, 2001) zijn evenmin sieralgen opgenomen.

Buitenlandse Rode lijsten

In het buitenland hebben sieralgen ook aandacht gekregen als bruikbare indicatoren voor ecologische kwaliteit en zijn in sommige landen eveneens pogingen gedaan om een Rode Lijst op te stellen. De hierbij gehanteerde methodes zijn niet altijd dezelfde, waardoor een vergelijking van de opgestelde lijsten strikt genomen niet mogelijk is.

Naast Nederland zijn er in drie andere Europese landen Rode Lijsten met sieralgen verschenen:
  1. Duitsland (Gutowski & Mollenhauer 1996);
  2. Hongarije (Németh 2005);
  3. Oostenrijk (Lenzenweger 1986, 1999).

De Duitse Rode Lijst omvat 63% van de 798 in Duitsland bekende taxa. In feite is de Duitse lijst een checklist van alle gemelde taxa, waarbij voor elke taxon wordt aangegeven wat de status en zeldzaamheid is, bijvoorbeeld ‘tolerant’ en ‘uitgestorven’. Ruim 60% van de Duitse sieralgsoorten staat te boek als bedreigd of zeer bedreigd (Engels 2006).
De Hongaarse Rode Lijst, die niet alleen sieralgen, maar ook andere algengroepen bevat, geeft eveneens per taxon een indicatie van de mate van bedreiging, afgeleid volgens de IUCN-criteria voor Rode Lijsten. Opgenomen zijn 253 sieralgentaxa, waarvan 60% vermeld staat als bedreigd. In Oostenrijk wordt 50% van de circa 880 inheemse sieralgentaxa beschouwd als bedreigd (Plant-Talk 2006).

Literatuur

  • Bal D, Beije HM, Hoogeveen YR, Jansen SRJ & van der Reest PJ (1995) Handboek natuurdoeltypen in Nederland. IKC-Natuurbeheer, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. 407 pp.
  • Bal D, Beije HM, Fellinger M, Haveman R, van Opstal AJFM, van Zadelhoff FJ (2001) Handboek Natuurdoeltypen. Tweede herziene editie. Expertisecentrum LNV, Ministeria van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen. 832 pp.
  • Bijkerk R (2010) Sieralgen. Hoofdstuk 8 in Bijkerk R (red) Handboek Hydrobiologie. Biologisch onderzoek voor de ecologische beoordeling van Nederlandse zoete en brakke oppervlaktewateren. Rapport 2010-28, Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer, Amersfoort.
  • Coesel PFM (1998) Sieralgen en natuurwaarden. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 224, Stichting Uitgeverij KNNV, Utrecht. 56 pp.
  • Coesel PFM & Meesters K(J) (2007) Desmids of the Lowlands. Mesotaeniaceae and Desmidiaceae of the European Lowlands. KNNV Publishing, Zeist. 352 pp.
  • Engels M (2006) The Culture Collection of Conjugatophyceae (SVCK) at the University of Hamburg, Germany. www.bioline.org.br/request?nl98006
  • Gutowski A & Mollenhauer D (1996) Rote Liste der Zieralgen (Desmidiales) Deutschlands. Schriftenreihe für Vegetationskunde 28: 679-708.
  • IUCN (2001) IUCN Red List categories and criteria: Version 3.1. IUCN Species survival commission. IUCN, Gland, Switzerland and Cambridge, UK. Ii + 30 pp.
  • Lenzenweger R (1986) Rote Liste gefährdeter Zieralgen (Desmidiales) Österreichs. In: Niklfeld H (ed) Rote Listen gefährdeter Pflanzen Österreichs. Wien. pp 200-202.
  • Lenzenweger R (1999) Roten Liste gefährdeter Zieralgen (Desmidiales) Österreichs. 2. Fassung. In: Niklfeld H (ed) Rote Listen gefährdeter Pflanzen Österreichs. Wien. pp 276-281.
  • Németh J (2005) Red list of algae in Hungary. Acta Bot Hung 47: 379-417.
  • Plant-Talk (2006) http://www.plant-talk.org/country/austria.html
  • Van Duuren L, Eggink GJ, Kalkhoven J, Notenboom J, van Strien AJ & Wortelboer R (red) (2003) Natuurcompendium 2003. Centraal Bureau voor de Statistiek/Milieu- en Natuurplanbureau, Bilthoven. 494 pp.

 

 


Bijgewerkt: 29 maart 2016   door: Ronald Bijkerk - versie 3
Grootste bijdrage door: Ronald Bijkerk ( 99 % )
Tweede lezer: Reinder Torenbeek
Openbaar: voor iedereen zichtbaar