Wiki Ecologische Waterbeoordeling WEW-lid? Log dan vooral in:
B. Technisch deel > 3. Biologische groepen   |   vorige  |  volgende 
  Geschiedenis
Lezen
Bewerken
Overleg

5. Vissen

Inleiding

Vis is voor veel mensen de meest zichtbare en aansprekende groep van waterbewoners. Vissen vertellen ons veel over de ecologische kwaliteit van een water. De aan- of afwezigheid van bepaalde soorten geeft informatie over bijvoorbeeld de zuurstofhuishouding en de aanwezigheid van onderwaterstructuren of waterplanten. Ook is eruit af te leiden in hoeverre een water in verbinding staat met ander, groter water, de zogenaamde connectiviteit. De opbouw van het bestand van één of meerdere soorten, waarmee we de verdeling van individuen over lengteklassen bedoelen, verschaft waardevolle informatie over de ecologische toestand waarin een waterlichaam verkeerd en geeft soms zelfs inzichten over zaken die in het verleden hebben gespeeld. Vissen vormen in de meeste wateren een belangrijk element in het voedselweb. Echter in zure wateren en in kleine, geïsoleerde wateren ontbreekt vis van nature en kan de aanwezigheid van vis als verstoring worden gezien. Vaak gaat het hierbij om exoten, zoals de Zonnebaars (Lepomis gibbosus) en de Amerikaanse hondsvis (Umbra pygmaea).

 

Rol in het ecosysteem

Vis speelt een zeer belangrijke rol binnen het aquatisch ecosysteem en kan grote invloeden hebben op andere ecologische groepen of zelfs de gehele werking van het systeem. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de invloed die bodemwoelende vissen hebben op het doorzicht van een systeem en de daardoor beïnvloede plantengroei of aan de effecten op macrofauna of zoöplankton in wateren met veel vis. Hiernaast staat vis ook dikwijls zelf op het menu van roofvis (onder andere Snoek en Snoekbaars), vogels (onder andere Aalscholver en Fuut) en zoogdieren (Otter).

 

Monitoring

De KRW verplicht waterbeheerders hun waterlichamen te monitoren op diverse biologische groepen, waaronder ook vis. Dit dient per waterlichaam één maal per zes jaar te gebeuren tenzij het water 'at risk' is; in dat gevoel moet eens in de drie jaar een visbestandsopname uitgevoerd worden.

 

Methode

De visstandbemonsteringen worden uitgevoerd volgens de BOM (Bevist-Oppervlakte-Methode; zie het Handboek Hydrobiologie; Bijkerk 2014). Door te werken met gestandaardiseerde rendementen en lengte-gewichtsrelaties kan er eenduidig een visstand in aantal of kilogram per hectare worden berekend.

 

Voor dit type onderzoek kunnen in principe drie verschillende vangtuigen ingezet worden:

  1. het elektrovisapparaat;
  2. de zegen;
  3. de kuil. 

 

Verwerking van de vangst

Bijzonder bij de monitoring van vis is dat naast soort en aantal ook de lichaamslengte wordt vastgesteld. Gevangen vis wordt per soort verwerkt waarbij de gehele vis inclusief staart wordt gemeten afgerond op hele centimeters. In sommige onderzoeken wordt ook een deel van de gevangen vissen gewogen om betere uitspraken te kunnen doen over de conditie van de vis. Bij grote vangsten wordt een deelmonster genomen. Dit gebeurd op basis van gewicht. Met deze resultaten worden per soort de biomassa en het aantal individuen per hectare bepaald. Deze gegevens vormen de basis van de KRW beoordeling.

 

Beoordeling

De KRW beoordeling is gebaseerd op de aanwezige biomassa of aantallen van bepaalde soorten of gilden. Hiernaast vormt de diversiteit van bepaalde soortgroepen (gilden) of visgemeenschappen een belangrijke factor. Verder slot bestaat er ook een optionele deelmaatlat die met lengteklassen (Snoekbaars) werkt. Door welke factoren de score bepaald wordt, hangt af van het KRW watertype en is aangegeven in de KRW documenten.

 

Gilden

Het Nederlandse visbestand kan worden onderverdeeld in diverse gilden. Deze worden ook bij de KRW beoordeling gebruikt.

In het zoete water onderscheidt men de volgende vijf gilden:

  • eurytoop              Algemene soorten zonder sterke voorkeur voor een bepaalde biotoop;
  • limnofiel               Plantminnende soorten;
  • rheofiel                Stromingsminnende soorten;
  • zuurstoftolerant    Soorten die tegen grote schommelingen in zuurstof concentratie kunnen en kunnen overleven bij zeer lage                                 zuurstofwaarden;
  • exoten                 Soorten die niet van oorsprong in het gebied voorkomen.

 

In brakke- en overgangswateren kent men de volgende gilden:

  • diadroom              Dit zijn migrerende soorten. Deze worden onderverdeeld in katadrome soorten (deze trekken van zoet naar zout                                     om te paaien) en anadrome soorten (trekken van zout naar zoet om te paaien);
  • estuarien resident   Soorten die hun totale levenscyclus in het estuarium doorlopen;
  • marien juveniel       Juveniele exemplaren van deze soorten houden zich op in het estuarium, volwassen soorten trekken terug naar zee;
  • marien zomergast   Zowel de volwassen als juveniele exemplaren van deze soorten kennen seizoensgebonden migratie;
  • Z1 matig brak        Zoetwatersoorten met een gemiddelde chloridetolerantie van maximaal 8 g/l;
  • Z2 licht brak:        Zoetwatersoorten met een gemiddelde chloridetolerantie van maximaal 4 g/l;
  • Z3 zoet:               Zoetwatersoorten met een gemiddelde chloridetolerantie van maximaal 2 g/l.

 

Naast deze, voorgeschreven KRW beoordeling zijn er nog enkele instrumenten die tijdens vismonitoringsonderzoek ingezet kunnen worden.

 

Viswatertypering

Naast de gildenindeling die men in de KRW beoordeling gebruikt, bestaat er ook een viswatertypering. Hierin wordt de visstand als geheel gezien en geclassificeerd. De viswatertypering is door Sportvisserij Nederland ontwikkeld voor onze stilstaande, ondiepe meren en plassen, in navolging van de indeling van stromende wateren door Max von dem Borne (1877). Deze onderzoeker deelde een stroomgebied in zones in en onderscheidde een forel-, vlagzalm-, barbeel- en brasemzone, naar de kenmerkende vissoort. De viswatertypering die wij gebruiken gaat uit van de voedselrijkdom van een water en de ontwikkeling van de submerse begroeiing en benoemt de kenmerkende vissoorten die hierbij voorkomen. De viswatertypering wordt vaak ingezet in visstandsonderzoeken die voor en door de sportvisserij uitgevoerd worden. De volgende viswatertypen worden onderscheiden:

 

Voor ondiepe plassen:

  • Baars-Blankvoornviswatertype;
  • Ruisvoorn-Snoekviswatertype;
  • Snoek-Blankvoornviswatertype;
  • Blankvoorn-Brasemviswatertype;
  • Brasem-Snoekbaarsviswatertype.

 

Voor diepe plassen:

  • Baars-Blankvoornviswatertype;
  • Blankvoorn-Brasemviswatertype;
  • Brasem-Snoekbaarsviswatertype.

 

Voor meer informatie over de viswatertyperingen:

www.sportvisserijnederland.nl/files/basisboek-visstandbeheer-h3_5827.pdf
www.sportvisserijnederland.nl/files/basisboek-visstandbeheer-h4_5829.pdf

Lengte-frequentieverdeling

Een belangrijke manier om informatie te verzamelen over een visbestand is het bepalen van de aantallen per lengteklassen, om van de meest voorkomende soorten een zogenaamde lengte-frequentieverdeling te verkrijgen. Zo krijgt men een beeld van het aandeel van de verschillende jaarklassen, waaruit men kan afleiden in hoeverre het bestand een natuurlijke leeftijdsopbouw heeft. Een lengte-frequentieverdeling met alleen maar juvenielen, alleen maar oudere dieren, of met ontbrekende lengteklassen, kan duiden op problemen in het watersysteem. Omdat voor elke soort de gemiddelde grootte van een bepaalde jaarklasse bekend is, krijgt men ook inzicht in de conditie van met name juveniele exemplaren. Dit geeft weer informatie met betrekking tot de voedselbeschikbaarheid bijvoorbeeld.

 

Vismigratie

Veel vissen hebben tijdens de verschillende fasen in hun leven verschillende habitats nodig. Het paai- en opgroeigebied ligt vaak in heel andere wateren dan waarin de volwassen vis leeft. Veel vissen migreren daarom. Sommige soorten, zoals Aal en Zalm, migreren zelfs tussen zee en zoet water. Migrerende vissoorten zijn dan ook goede indicatoren voor de aan- of afwezigheid van knelpunten in de connectiviteit, de verbinding tussen wateren. Naast de bestandsmonitoring voor de KRW wordt tegenwoordig veel onderzoek gedaan naar vismigratie, om deze knelpunten te kunnen identificeren. Dit migratieonderzoek is onder te verdelen in verschillende typen onderzoek:

  • vis-aanbod onderzoek;
  • vis-passage onderzoek;
  • vis-schade onderzoek.

 

Vis-aanbod onderzoek

Is bedoeld om duidelijk te maken hoeveel vis en welke soorten een bepaalde locatie kunnen bereiken. Dit onderzoek voert men veelal uit met aangepaste fuiken die stroomopwaarts of -afwaarts van een object (vaak kunstwerken zoals gemalen) geplaatst worden. Bij voorkeur wordt hierbij de gehele watergang of de ingang naar het object afgesloten met netten die de vis richting fuik dwingen.

Een ander vangtuig dat gebruikt wordt in visaanbod onderzoek is het kruisnet. Dit is een vierkant net dat voor een kunstwerk wordt afgezonken en na enige tijd, meestal 5 à 10 minuten, weer wordt opgehaald. Het kruisnet wordt voornamelijk ingezet bij glasaal onderzoek.

 

Vis-passage onderzoek

Dit onderzoek dient om de werking van vispassages te monitoren. Hierbij wordt in de meeste gevallen met de fuik gewerkt. Deze wordt aangepast om de uitstroomopening van een kunstwerk volledig af te sluiten. Hierdoor komt alle vis die het kunstwerk passeert in de fuik terecht. Door de inhoud van de fuik vervolgens te onderzoeken krijgt men een beeld van de soorten en aantallen vis die door de passage zwemmen en eventueel in hoeverre zij daarbij schade oplopen.

Naast onderzoek met fuiken wordt de laatste tijd steeds meer met video systemen gewerkt om aan te tonen of vis door een passage zwemt.

 

Vis-schade onderzoek

Met name voor stroomafwaarts migrerende vissen (Schieraal) zijn gemalen een groot obstakel. Vis zal uiteindelijk toch willen passeren en zo door het gemaal worden gepompt. Dit kan tot grote vissterfte lijden. Ook vis die passief voor een gemaal hangt (dit soort plekken zijn vaak geliefd bij vis omdat het hier dieper is en de plek beschutting biedt) wordt veelal opgezogen door een plots opstartend gemaal.

Om vast te stellen hoe schadelijk een gemaal is voor vis wordt hier onderzoek naar verricht. Om dit aan te tonen kunnen netten worden geplaatst aan de stortkokers van het gemaal waardoor alle verpompte vis wordt opgevangen. De gevangen vis wordt dan op uiterlijke beschadigingen gecontroleerd. Hiernaast kan een deel van de vangst in een opslag net bewaard worden om uitgestelde sterfte als gevolg van interne verwondingen vast te stellen.

 

Methoden om de visstand vast te stellen 

Nieuwe technieken

De laatste jaren is er een ontwikkeling waar te nemen in de manier waarop gegevens over vis worden verzameld. De twee meest in het oog springende technieken zijn eDNA en video.

 

eDNA

Een van de meest tot de verbeelding sprekende ontwikkelingen binnen het ecologisch onderzoek is toch wel de toepassing van eDNA. Hierbij stelt men de aanwezigheid van een soort vast op basis van het DNA dat de soort in zijn omgeving afscheidt, bijvoorbeeld in de vorm van schubben, slijm, of faeces. Met name voor moeilijk vangbare soorten, of voor vissen die slechts in zeer lage aantallen voorkomen, is deze techniek een goede aanvullende methode. Het is (nog) niet mogelijk om uit eDNA een indruk te krijgen van de aantallen vis. Verder moet men bedacht zijn op de mogelijkheid dat het eDNA afkomstig is van elders en door bijvoorbeeld waterbeweging naar het monsterpunt getransporteerd is.

 

Video

Met name op het gebied van vispassage onderzoek zet men steeds vaker videomonitoring in. Hierbij gebruikt men systemen die op afstand te besturen zijn en continu beeld verzamelen. Met speciale bewegingsdetectie software kan er goed beeldmateriaal van passerende vis verzameld worden. Deze methode is veel minder invasief voor de vissen en ook minder arbeidsintensief dan fuikmonitoring. Verder kunnen de beelden ook informatie geven omtrent bepaald visgedrag. Dit kan weer helpen in het verder verbeteren van bijvoorbeeld een vispassage. Hier staat wel tegenover dat het doorzicht van het water een belangrijke factor speelt. Ook brengt het ontwikkelen en plaatsen van een videosysteem op dit moment nog de nodige kosten met zich mee. Desondanks zijn de vorderingen die op dit moment gemaakt worden veelbelovend.

Technieken voor standaard (KRW) monitoring

Elektrovisapparaat

Kleinere wateren en oeverzones van grotere wateren worden bemonsterd door middel van een elektrovisapparaat. Vaak bestaat dit apparaat uit een aggregaat dat een stroomveld opwekt dat op het water wordt aangebracht. Een schepnet met een ijzeren beugel fungeert hierbij als + pool en een kabel als – pool. Vis wordt door middel van de + pool verdoofd en kan zo gevangen worden.

Naast de aggregaatversie die uitsluitend vanuit een boot gebruikt kan worden, bestaat er ook draagbare elektrovisapparatuur. Deze werkt volgens hetzelfde principe maar in plaats van een aggregaat komt de benodigde spanning uit accu’s. Deze apparaten worden veelal ingezet bij zeer kleinschalige en/of ondiepe wateren als beekjes of smalle sloten.

 


Bron: Klinge et al. (2003)

 

 

Zegen

Een groot aantal soorten watertypen wordt met een zegen bemonsterd omdat dit vangtuig erg effectief en veelal goed inzetbaar is.

Een zegen is een net waarmee een deel van het water kan worden omsloten. Aan de bovenkant zitten drijvers en de onderkant is voorzien van gewichten zodat het net altijd rechtop in het water staat. Door het binnenhalen van de zegen wordt het omsloten gebied steeds kleiner. De vis raakt ingesloten en komt uiteindelijk terecht in een speciale uitstulping van het net (de zak). De zegen kan op twee manieren worden gevist. Slepend, waarbij het net een stuk wordt voortgetrokken alvorens het te sluiten. Deze methode wordt veelal ingezet in lijnvormige wateren. De rondgooi is een alternatieve manier om de zegen in te zetten. Hierbij wordt het net cirkelvormig uitgevaren waarna het direct binnengevist wordt. Deze methode wordt veelal ingezet in meervormige wateren of locaties waar submerse vegetatie de visserij bemoeilijkt. Zegens zijn er in vele varianten waarbij de hoogte, maaswijdte en lengte van het net kunnen verschillen. Op deze manier kan de zegenbevissing per water geoptimaliseerd worden.



Bron: Klinge et al. (2003)



Kuil

De kuil wordt ingezet om het open water van grote waterlichamen als meren, kanalen en plassen te bemonsteren. De kuil is een trechtervormig sleepnet dat uitloopt in een spitse punt (de zak). De kuil heeft voor dit type bemonstering een wijdte van tien meter en wordt al naar gelang de diepte van het te bevissen water met gewichten verzwaard. De kuil wordt door twee boten voortgesleept waarbij een snelheid van vier kilometer per uur wordt aangehouden. Trajecten met de kuil zijn standaard duizend meter lang.




Technieken voor vismigratie onderzoek

Fuik

Op dit moment wordt het grootste deel van het vismigratie onderzoek met aangepaste fuiken uitgevoerd. Het grote voordeel van een fuik is dat dit een passief vistuig is. Het is een net dat uitgezet wordt en zelf vis vangt waardoor er weinig inspanning nodig is om de vis te vangen.

Een fuik is een langwerpig net met verschillende ringen waarin zogenaamde keernetten in verwerkt zijn, die ervoor zorgen dat de vis niet terug kan zwemmen. Aan de voorkant van de fuik zijn vaak zogenaamde wieken bevestigd. Dit zijn stukken net die de vis in de richting van de opening van de fuik sturen. Fuiken zijn grofweg in twee typen in te delen: (1) de gewone fuik, die vaak tussen vaste palen wordt bevestigd en (2) de schietfuik die wordt afgezonken en doormiddel van gewichten op zijn plaats gehouden wordt. Fuiken zijn er in zeer veel verschillende grootten en maten en kunnen geheel aangepast worden aan specifieke omstandigheden en locaties. Hierdoor zijn ze zeer goed inzetbaar om bijvoorbeeld vispassages te monitoren. Wel zijn fuiken vaak erg arbeidsintensief in de toepassing. Het aanpassen en plaatsen van een fuik kost de nodige tijd en deze dient om de maximaal drie dagen te worden geleegd om vissterfte te voorkomen. Tevens dient de fuik, die vaak snel dichtslibt met aanslag en vuil, elke lichting te worden schoongemaakt.


Zenders

Naast de fuik wordt tegenwoordig ook steeds vaker gebruikt gemaakt van zender en ontvanger systemen die ingezet kunnen worden om vis te volgen. Het voordeel van deze systemen is dat ze veel specifieke informatie geven over de verschillende gedragspatronen van vis. Tevens kunnen vissen over langere afstanden gevolgd worden. Denk hierbij aan de migratie van Aal en Zalm. Het grote nadeel is dat de benodigde zender apparatuur vaak inwendig in de vis moet worden aangebracht.


Literatuur

  • Bijkerk R (red) (2014) Handboek Hydrobiologie. Biologisch onderzoek voor de ecologische beoordeling van Nederlandse zoete en brakke oppervlaktewateren. Deels aangepaste versie. Rapport 2014-02, Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer, Amersfoort.
  • Klinge M, Hensens G, Brenninkmeijer A & Nagelkerke L (2003) Handboek Visstandbemonstering. Voorbereiding, bemonstering, beoordeling. Rapport 2002-07, Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer, Utrecht.
  • Von dem Borne M (1877) Wegweiser für Angler durch Deutschland, Oesterreich, und die Schweiz. Verlag von Wiegandt, Hempel & Parey, Berlin.


 

 


Bijgewerkt: 22 maart 2018   door: Ronald Bijkerk - versie 4
Grootste bijdrage door: Pieter-Bas Broeckx ( 34 % )
Tweede lezer: Ronald Bijkerk
Openbaar: voor iedereen zichtbaar