Wiki Ecologische Waterbeoordeling WEW-lid? Log dan vooral in:
B. Technisch deel > 3. Biologische groepen   |   vorige  |  volgende 
  Geschiedenis
Lezen
Bewerken
Overleg

4. Macrofauna

Definitie

"met het blote oog goed zichtbare, ongewervelde dieren die ten minste een deel van hun leven in het water of op de waterspiegel doorbrengen"


Hieruit blijkt dat de groep vooral is gedefinieerd op basis van afmetingen. Dit vanwege de gebruikelijke vangstmethode, namelijk met een schepnet met een maaswijdte van 0,5 mm. Zo wordt een deel van de kreeftachtigen tot de macrofauna gerekend, maar de veelal kleinere kreeftachtigen zoals watervlooien en mosselkreeftjes niet. Daarom is macrofauna in taxonomisch opzicht geen homogene of goed afgebakende groep. De afmetingen worden echter niet strikt gehanteerd. Voor een deel is de opvatting van wat tot de macrofauna hoort alleen te verklaren vanuit traditie. Watermijten behoren wel tot de macrofauna, de vaak even grote watervlooien niet. Een taxonomische aspect aan de definitie is dat het om ongewervelden (evertebraten, of in het Engels: invertebrates) gaat. Dit betekent dat vissen en amfibieŽn niet tot de groep macrofauna worden gerekend (hoewel die soms wel in het net terecht komen). In dit opzicht zou de term macro-evertebraten daarom correcter (of in ieder geval beter te begrijpen) zijn dan de term macrofauna. Maar omdat de term macrofauna in Nederland veel gangbaarder is, houden we het in de handboek ook bij die term.


In de Kaderrichtlijn Water wordt ook wel de term macro-zoŲbenthos gebruikt. Dat duidt meer op de (grote) ongewervelde dieren die in of op de bodem leven. Uit de CIS-Guidances (bijvoorbeeld nr. 7 over Monitoring) blijkt dat de KRW wel degelijk de volledige groep macrofauna bedoelt, dus ook de vrij zwemmende soorten, of soorten die bijvoorbeeld op en tussen de vegetatie leven.


In de praktijk worden de volgende groepen tot macrofauna gerekend:
  • platwormen
  • borstelwormen
  • bloedzuigers
  • slakken
  • tweekleppigen
  • kreeftachtigen
  • watermijten
  • spinnen
  • haften of eendagsvliegen
  • libellen (inclusief de waterjuffers)
  • steenvliegen
  • wantsen
  • kevers
  • netvleugeligen en slijkvliegen
  • kokerjuffers of schietmotten
  • muggen en vliegen (tweevleugeligen)
  • sponzen
  • holtedieren
  • mosdiertjes
     

Van deze groepen worden bij onderzoek voor het waterbeheer alleen de daadwerkelijk in of op het water levende soorten en stadia betrokken. Van verschillende groepen insecten zoals libellen en dansmuggen gaat het dus vooral om de larven.


De rol van macrofauna in het ecosysteem

Macrofauna vormt een belangrijke schakel in het voedselweb van een aquatisch ecosysteem. Diersoorten die behoren tot de macrofauna spelen een belangrijke rol als herbivoor, predator en prooi in de kringloop van stoffen en energie. De macrofaunasoorten vertonen een grote diversiteit aan voedingswijzen. Onder de herbivoren (planteneters) zijn soorten die aangroeiende algen begrazen, planktonische algen uit het water filteren of mineren in stengels van waterplanten. Er zijn rovers die op verschillende manieren hun prooi bemachtigen en eten, bijvoorbeeld door deze te steken en leeg te zuigen of geheel te verzwelgen. Er zijn parasieten zoals de karperluis. En er zijn soorten die van dood organisch materiaal leven, bijvoorbeeld van het detritus op de bodem. Combinaties komen ook voor. In het project AQEM worden de volgende voedingswijzen onderscheiden (Sandin et al, 2001):
  • Grazers and scrapers (grazers en schrapers)
  • Miners (mineerders)
  • Xylophagous taxa (houteters)
  • Shredders (knippers)
  • Gatherers / Collectors (verzamelaars)
  • Active filter feeders (actieve filtreerders)
  • Passive filter feeders (passieve filtreerders)
  • Predators (rovers)
  • Parasites (parasieten)

Macrofauna vormt het voedsel voor veel andere diersoorten. Vooral voor vele vissoorten is macrofauna een belangrijke voedselbron, maar ook vogels en zelfs zoogdieren kunnen bepaalde macrofaunasoorten op hun menu hebben (bijvoorbeeld meerkoeten die grote dansmuglarven eten). Veel macrofauna komt aan zijn einde doordat ze door een andere macrofaunasoort worden opgegeten. Rovers zijn bijvoorbeeld bloedzuigers, grotere vlokreeften, wantsen, (larven van) kevers en larven van libellen.

De rol van macrofauna in het ecosysteem verloopt dus vooral via eten en gegeten worden. De invloed op de kwaliteit van het ecosysteem kan daarbij groot zijn. We noemen twee voorbeelden:
  • In ondiepe, voedselrijke en door algen gedomineerde wateren komen vaak enkele macrofaunasoorten in hoge dichtheden in het bodemslib voor, zoals muggenlarven en borstelwormen. Deze vormen een belangrijke voedselbron voor bijvoorbeeld brasems. Op zoek naar dit voedsel woelen de brasems de bodem om en brengen daarbij veel slib in de waterkolom. Dit is ťťn van de processen waardoor het water van dergelijke voedselrijke systemen troebel wordt (en blijft).
  • Mossels filteren het water om aan voedsel te komen en leggen zwevend slib vast op de bodem. Het water kan hierdoor helder worden. De quaggamossel, een exoot die lijkt op de gewone driehoeksmossel, rukt momenteel in Nederland op en maakt door de hoge dichtheid die deze soort bereikt veel wateren helder. Hierdoor komt er licht op de bodem en krijgen ook waterplanten de kans tot ontwikkeling komen. Deze ene soort is dus een staat het aquatisch ecosysteem drastisch te veranderen.


Toepassing bij beoordeling en diagnose

Elke soort (dit geldt niet alleen voor macrofauna, maar voor alle dieren en planten) heeft zijn eigen milieu-preferenties. De ecologische amplitudo kan groot of klein zijn. Dit betekent dat sommige soorten alleen in zeer specifieke milieu's voorkomen terwijl andere soorten in een diversiteit aan milieus worden aangetroffen. Onder de macrofaunasoorten is dat niet anders. Er zijn soorten die alleen in bepaalde typen bronnen in Zuid-Limburg voorkomen, en soorten die bijna door het hele land, in stromend en stilstaand water worden aangetroffen. Zeldzame soorten zijn vaak soorten die hoge eisen stellen aan het milieu en zijn daarmee vaak kenmerkend voor een bepaald watertype. In de KRW-maatlat speelt het aantal kenmerkende soorten daarom ook een rol.


Macrofauna is sterk indicatief voor chloridegehalte, zuurgraad, stroming, mate van organische belasting (saprobie) en de aanwezigheid en functionaliteit van substraten en structuren. Stroming bijvoorbeeld heeft een fysieke invloed op macrofauna. Sommige soorten hebben zich op specifieke wijze aangepast aan de stroming of zijn zelfs afhankelijk van de stroming, bijvoorbeeld passieve filtreerders die voedseldeeltjes uit het water onderscheppen. Andere soorten zijn niet bestand tegen stroming. Macrofauna is daardoor een goede indicatorgroep voor de beoordeling van het stromend  karakter van beken.


De substraten en structuren vormen het landschap waarin de macrofauna leeft, en waaraan ze fysiek en in gedrag zijn aangepast. De kokerjuffer Tinodes waeneri weeft een tunnel op hard substraat, de libellenlarve Brachytron heeft een grote voorkeur voor stengels van oeverplanten en de worm Limnodrilus hofmeisteri leeft in slibbodems. Wat op het eerste gezicht een stortstenen oever lijkt, kan door een laagje slib een voor hard-substraat bewoners ongeschikt habitat zijn. Het hard substraat functioneert dan niet als hard substraat. In combinatie leveren de aanwezige soorten een beeld van de bruikbaarheid van de substraten en structuren voor macrofauna.

Literatuur

  • Sanding L, D Hering, A Buffagni, A Lorenz, O Moog, P Rolauffs & I Stubauer (2001). Experiences with different stream assessment methods and outlines of an integrated mehod for assessing streams using benthic macroinvertebrates. AQEM, 3rd deliverable.


 

 


Bijgewerkt: 21 juni 2016   door: Reinder Torenbeek - versie 9
Grootste bijdrage door: Reinder Torenbeek ( 85 % )
Tweede lezer: Bart Achterkamp
Openbaar: voor iedereen zichtbaar