Wiki Ecologische Waterbeoordeling WEW-lid? Log dan vooral in:
B. Technisch deel > 3. Biologische groepen > 2. Waterplanten   |   vorige  |  volgende 
  Geschiedenis
Lezen
Bewerken
Overleg

2. Kranswieren

Kranswieren vormen vooral in helder, matig voedselarm, onbeschaduwd, stilstaand tot zwak stromend, zoet tot brak water grote 'onderwaterweiden' met hoge biomassa's, die schuilmogelijkheid bieden voor zoŲplankton, macrofauna en jonge vis (Figuur 1). Dit is vooral van belang in de winter als de meeste andere waterplanten afgestorven zijn. De velden trekken veel plantenetende watervogels aan, zoals de krooneend (Netta rufina), die vrijwel exclusief in kranswierwateren leeft. De vogels (Figuur 2) spelen ook een rol bij de verspreiding van kranswieren. Ze voeden zich met de door de planten gevormde bulbillen (zetmeelknolletjes) en krijgen daarbij ook de rijpe oŲsporen binnen, die elders weer worden uitgescheiden. Wateren met veel kranswieren vormen een apart habitattype (H3140) in het Europese Natura 2000-netwerk.

Figuur 1. Vegetatie van Teer kransblad (Chara virgata). De oranje knopjes zijn de mannelijke geslachtsorganen (antheridiŽn) (Foto: Emile Nat).


Figuur 2. De Krooneend (Netta rufina) leeft vrijwel exclusief in wateren met veel kranswieren (Foto: Emile Nat).


Kranswieren zijn pioniers bij uitstek. In pas ontstane wateren, zoals een uitgebaggerde sloot of een nieuwe vijver, zijn het vaak de eerste waterplanten die verschijnen. Later worden ze vaak vervangen door hogere waterplanten als fonteinkruiden, smalle waterpest (Elodea nuttalli) en grof hoornblad (Ceratophyllum demersum), maar soms kunnen ze met dergelijke soorten ook jaren achter elkaar stabiele vegetaties vormen. Op zich kunnen ze hoge fosfaatconcentraties vaak wel verdragen, maar in voedselrijk water groeien ze minder snel dan hogere planten en fytoplankton, die dan het licht voor de kranswieren wegnemen. Lange tijd zijn kranswiervegetaties achteruitgegaan, maar door de toenemende helderheid gaan ze de laatste jaren weer vooruit.

Stabiele kranswiervelden komen vooral voor in ondiepe alkalische meren, maar alleen als de nutriŽntenbelasting niet te hoog is. Door vastlegging van nutriŽnten in de kranswiervelden, verhoogde graas door zoŲplankton en beperkte opwerveling van bodemdeeltjes is het water boven deze velden glashelder, terwijl het elders in het meer troebel kan zijn. Ook in sommige ís zomers droogvallende poelen komen van jaar op jaar kranswiervegetaties voor. Voor het IJsselmeergebied zijn rekenregels voor het voorkomen van kranswiersoorten en kranswierwateren.

Vooral de kransbladsoorten (Chara) komen in hard water voor en zijn in staat opgelost bicarbonaat als koolstofbron te gebruiken. Glanswieren (Nitella) prefereren zachter water. Met hun rhizoÔden kunnen ze behoorlijk stevig in de bodem staan en ook actief stoffen uit de bodem opnemen. Met name kransbladsoorten verspreiden een penetrante, ui-achtige, geur, afkomstig van zwavelverbindingen (thiolen), die een allelopathische werking hebben en de groei van fytoplankton en aangehechte algen (epifyten) onderdrukken.

Er komen in Nederland 26 soorten kranswieren voor, behorende tot de genera Chara, Nitella, Nitellopsis en Tolypella. Drie soorten zijn algemeen, vijf soorten zijn vrij zeldzaam en de rest is (zeer) zeldzaam. DifferentiŽrende factoren bij de soortensamenstelling zijn: zoutgehalte, alkaliniteit, stroming, sedimentstructuur, sedimentsamenstelling en nutriŽntenconcentraties. De algemene soorten en ook het vrij zeldzame puntdragend glanswier (N. mucronata) zijn meer eutrofiŽringstolerant dan de andere soorten.

De meest voorkomende soorten zijn:

  • Breekbaar kransblad (Chara globularis) komt algemeen voor in sloten en poelen, maar ook in meren. en zelfs in zure vennen en beken. In zoet tot zwak brak, helder, niet al te voedselrijk water, op zand-, veen- en kleibodems. Teer kransblad (C. virgata) is lange tijd gezien als variŽteit van C. globularis en komt vooral voor op plaatsen met sterk wisselende milieuomstandigheden.

  • Gewoon kransblad (Chara vulgaris) is zeer algemeen in sloten, poelen en andere kleine watertjes in het westen van het land, elders algemeen. In kalkrijk, soms tamelijk voedselrijk, zoet, of zwak brak water, op zand-, veen- en kleibodems.

  • Buigzaam glanswier (Nitella flexilis) komt verspreid door het land voor, vrij algemeen in het laagveengebied en op de overgang zand-veen, elders zeldzaam. In sloten, poelen en plassen, zelden in grotere meren, met kalkarm tot matig kalkrijk, stilstaand of stromend zoet water op zand, klei en veen.

  • Brokkelig kransblad (Chara contraria) komt vooral voor in de duinen, het laagveengebied, in de Randmeren en langs de grote rivieren, vrij zeldzaam, maar plaatselijk massaal aanwezig. Een typische pionier van pas gegraven of geschoonde poelen, plassen en sloten, met helder, kalkrijk, zoet tot zwak brak water, vooral op zandgrond.

  • Puntdragend glanswier (Nitella mucronata) is vrij zeldzaam en komt verspreid door het land voor, vooral in het laagveengebied. In sloten, kanalen, plassen en petgaten met helder, voedselrijk, basisch, zoet water op zand-, veen- en kleigrond.

Verantwoording: de vermelde gegevens zijn ontleend aan Krause (1997), Van Raam (1998), Van den Berg & Coops (1998), Van den Berg (1999), Simons & Nat (2001), Coops (2002, 2012), Mulderij (2006), Nat (2012), Arts e.a. (2014) en Haasnoot (2014) en de websites www.kranswieren.nl, www.natuurkennis.nl, www.verspreidingsatlas.nl, https://publicwiki.deltares.nl/ en http://pas.natura2000.nl.


Literatuur




 

 


Bijgewerkt: 24 januari 2016   door: Reinder Torenbeek - versie 7
Grootste bijdrage door: Herman van Dam ( 94 % )
Tweede lezer: Rob van de Haterd
Openbaar: voor iedereen zichtbaar