Wiki Ecologische Waterbeoordeling WEW-lid? Log dan vooral in:
B. Technisch deel > 3. Biologische groepen   |   vorige  |  volgende 
  Geschiedenis
Lezen
Bewerken
Overleg

2. Waterplanten

Met waterplanten worden alle planten bedoeld die een gedifferentieerde bouw met stengels en bladen hebben en als individu goed met het blote oog te herkennen zijn. Taxonomisch is de groep niet strak begrensd. Alle zaadplanten (Spermatopsida) vallen eronder, maar ook sporenplanten zoals varens en paardenstaarten (Pteropsida), mossen (Bryophyta), en sommige soorten algen zoals kranswieren (Charales) en de grotere blad- en draadalgen uit allerlei taxonomische groepen. 

Veel soorten waterplanten kunnen ook boven water groeien als landplanten en worden dan vaak amfibische planten genoemd. Soorten die in de regel op de overgang tussen water en land voorkomen worden vaak oeverplanten genoemd. Internationaal wordt de term (aquatische) macrofyten (aquatic macrophytes) vaak gebruikt. Voor ecologische waterbeoordeling zijn planten (individuen) interessant die tenminste met de wortels en tenminste een deel van het jaar in het water staan.

Soortensamenstelling en abundantie

De meeste beoordelingssystemen die gebruik maken van waterplanten kijken primair naar de soortensamenstelling. De meeste soorten hebben een duidelijke ecologische voorkeur en zeggen alleen al door hun voorkomen dus al iets over het milieu. De mate van voorkomen geeft weliswaar aanvullende informatie, maar kan de beoordeling ook misleiden. De meeste soorten zullen in eerste instantie in abundantie toenemen als het water voedselrijker wordt, ook de meer kritische soorten. Pas na verloop van tijd zullen dan de soorten die optimaal voorkomen in voedselrijk water de plek van de minder hard groeiende soorten overnemen.

Groeivormen

Waterplanten worden meestal ingedeeld naar de belangrijkste functionele relaties met met watermilieu. Het al dan niet voorkomen van soorten uit deze groepen zegt dan dus ook wat over dat watermilieu.

De meest gebruikte indeling is gebaseerd op de relatie van waterplanten met het water zelf, daarbij wordt de positie van de bladeren in het water gebruikt:

Een verdere indeling is veelal gebaseerd op de relatie met andere milieufactoren of combinaties ervan. Ook hierbij wordt de structuur van de planten gebruikt om de indeling te beschrijven omdat deze een goede afspiegeling is van deze relatie met milieufactoren.

De meest uitgebreide indeling is beschreven door Den Hartog en Segal (1964), later bijgewerkt door Den Hartog en Van der Velde (1988) en uitgebreid beschreven voor het Nederlandse zoete water in Bloemendaal en Roelofs (1988). Deze omvat 18 verschillende groeivormen en dat zijn dan alleen nog maar de ondergedoken waterplanten en de drijfblad waterplanten.

De indeling omvat dus geen emergente planten. De milieufactoren die deze groep verder kunnen indelen zijn vooral voedselrijkdom, bodemsoort en dynamiek (frequentie, duur, en tijdstip van droogvallen en overstromen). Een dergelijke indeling is echter niet zo gemakkelijk te baseren op de structuur van de planten; er wordt hiervoor meestal teruggevallen op soortensamenstelling zoals in de Vegetatie van Nederland (Schaminee et al, 1995)

Oeverplanten

Planten die groeien op de overgang tussen water en land hebben een afnemende relatie met waterkwaliteit. De meeste soorten kunnen ook als emergent worden ingedeeld, maar er is een belangrijk onderscheid tussen de emergente planten die in permanent water groeien en emergente planten die in droogvallende omstandigheden groeien. Dat kunnen deels dezelfde soorten zijn zoals ook allerlei soorten 'echte' waterplanten in meerdere groeivormen kunnen worden ingedeeld, afhankelijk van hun levensstadium en standplaats.
Oeverplanten zijn de waterplanten die groeien tussen de hoog- en laagwaterlijn die bij natuurlijke peilschommeling is waar te nemen. Bij en gefixeerd waterpeil kunnen veel soorten oeverplanten zich slechts in een smalle strook rond de waterlijn handhaven, waardoor de mate van voorkomen van deze groep als geheel kan worden gebruikt in het oordeel over de natuurlijkheid van de waterstand.


Specifieke groepen


Er zijn enkele groepen van waterplanten die vaak apart worden beoordeeld. Dat zijn groepen zowel wat groeivorm betreft als taxonomisch  goed zijn te onderscheiden, maar waarvan het determineren tot op soort lastiger is.

  • Kranswieren (zoals glanswier); als groep indicator voor goede waterkwaliteit
  • Kroosachtigen (zoals klein kroos); als groep indicator voor zeer voedselrijk water, maar alleen als de abundantie groot is.
  • Draadwieren (ondergedoken of drijvend, in het laatste geval ook wel FLAB (floating algal biomass) genoemd); als groep indicator voor zeer voedselrijk water, maar alleen als de abundantie groot is.


Literatuur

  • Bloemendaal, F.H.J.L. & Roelofs, J.G.M., 1988: Waterplanten en waterkwaliteit. KNNV, Utrecht. 189 pp.
  • Hartog, C.den & Segal, S, 1964: A new classification of the water-plant communities. Acta Bot. Neerl., 13: 367-393.
  • Hartog, C.den & G. van der Velde, 1988: Structural aspects of aquatic plant communities. In: Symoens, J.J. [Ed.], 1988: Vegetation of inland water. Handbook of vegetation sciences, vol. 15/1. Kluwer, Dordrecht. pp. 113-153
  • Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff, 1995: De vegetatie van Nederland, deel 2. Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden.. Opulus Press, Uppsala en Leiden. 358 pp.

 

Onderliggende titels:

1. Ondergedoken waterplanten
2. Kranswieren
3. Drijfbladplanten
4. Kroosachtigen
5. Emergente waterplanten

 


Bijgewerkt: 15 februari 2016   door: Roelf Pot - versie 6
Grootste bijdrage door: Roelf Pot ( 92 % )
Tweede lezer: Roelf Pot
Openbaar: voor iedereen zichtbaar