Wiki Ecologische Waterbeoordeling WEW-lid? Log dan vooral in:
B. Technisch deel > 2. Watertypen   |   vorige 
  Geschiedenis
Lezen
Bewerken
Overleg

6. Brakke wateren


De gepresenteerde informatie is grotendeels afkomstig uit het rapport ĎEcologische beoordeling van brakke binnenwateren (Van Dam 2002) en aangevuld met meer recente gegevens, waarvan de bronnen afzonderlijk zijn aangegeven. De buitendijkse brakke gebieden in de (voormalige) estuaria blijven hier buiten beschouwing. Ga daarvoor naar het Zoet-Zout Platform.

Verbreiding en ontstaan van brakke binnendijkse wateren

Brakke binnenwateren zijn wateren met een chloridegehalte van meer dan 300 mg/l. Zij zijn vooral te vinden langs de Nederlandse kust, waar het zoute zeewater zijn invloed laat gelden via poreuze dijken, lekkende sluizen en duikers. Ze hebben geen open verbinding met de zee. Zeewater komt met name binnen via ondergrondse kwelstromen (Figuur 1) waardoor ook verder landinwaarts brakke wateren kunnen voorkomen.



Figuur 1. Brakke waterlopen worden voor een groot deel gevoed door toestroom van brak grondwater (Oude Essink e.a. 2007).


Al vanaf de Middeleeuwen leiden menselijke activiteiten tot het ontstaan van brakke binnenwateren, zoals sloten, kanalen, karrenvelden, inlagen, welen en oude kreken. Brakke wateren waren tot in het begin van de vorige eeuw waren wijd verspreid. Populair zijn ze nooit geweest. Al van oudsher beschouwen mensen brakke wateren als onwenselijke bronnen van muggen en malaria. Voor de landbouw is brak water een probleem vanwege de hoge zoutgehalten van grond- en oppervlaktewater. Het zout verlaagt de productie en beperkt de gewaskeuze. Om deze reden worden brakke wateren in landbouwgebieden vaak doorgespoeld met zoet water. Meestal gebeurt dit uitsluitend in de zomer. Dit heeft tot gevolg dat het water in de zomer zoeter is dan in de winter, terwijl dat van nature juist andersom is.  

Brakwatertypologie

Het zoutgehalte is de belangrijkste differentiŽrende factor voor de levensgemeenschappen in de brakke binnenwateren. Daarom wordt het gemiddelde chloridegehalte over het jaar gebruikt als basis voor de indeling in vier hoofdtypen:

zeer licht (zwak) brak tot zoet (300 - 1 000 mg/l Cl); licht (zwak) brak (1 000 - 3 000 mg/l Cl); matig brak (3 000 - 1 0000 mg/l Cl); sterk brak (> 10 000 mg/l Cl).

(zie Van Dam 2002 voor overige indelingen). Deze indeling is vooral gebaseerd op discontinuÔteiten in de verdeling van de macrofauna langs de chloridegradiŽnt en blijkt ook voor de overige organismen goed bruikbaar. Naast de gemiddelde chlorideconcentraties zijn ook de fluctuaties daarin van belang (in gebieden rond de Oostzee fluctueert het zoutgehalte minder en brakke wateren in het Europese binnenland hebben een andere ionensamenstelling). De morfometrie speelt slechts een ondergeschikte rol. Daarom zijn de morfologische typen slechts als subtypen beschouwd:

klein, ondiep (sloten); groot, ondiep (inlagen, karrevelden, kreekrestanten); groot, diep (doorbraakkreken, jonge diepe kreken, diepe inlagen, kanalen, vaarten).

Functioneren

Fysische en chemische omstandigheden

Verreweg de meeste brakke wateren zijn 'van nature' eutroof door brakke kwel. Concentraties van totaalfosfaat van 1 mg/1 of meer zijn heel normaal. Vooral in sterk brakke wateren is de N/P-verhouding vaak laag (<6), wat aangeeft dat dan stikstof beperkend is voor de primaire productie. De zuurstofhuishouding (inclusief het biochemisch zuurstofverbruik) wijkt niet af van die in het zoete water. Brakke wateren zijn vaak ondiep. De wind zorgt ervoor dat de fijne kleideeltjes opwervelen, waardoor het water vaak troebel is. Dit onderdrukt de groei van fytoplankton en waterplanten. Door de steile oevers van veel watergangen is er weinig structuurvariatie mogelijk voor de waterfauna. Water- en oeverplanten zijn dan de belangrijkste structuurvormende elementen. Het peil van brakke wateren wisselt in de loop van het jaar, maar de meeste brakke wateren vallen niet droog. Langdurige droogval is niet gunstig voor bijvoorbeeld kleine schelpdieren en het mosdiertje palingbrood (Electra crustulenta).

Brak water als milieu voor planten en dieren

Het brakke water is een extreem milieu voor organismen. Slechts weinig soorten hogere planten Snavelruppia (Ruppia maritima), Spiraalruppia (Ruppia cirrhosa) en Gesteelde zannichellia (Zanichellia palustris subsp. pedicellata) en waterdieren, zoals  de Brakwatersteurgarnaal (Palaemonetes varians)  en de Brakwaterkokkel (Cerastodermum glaucum) zijn aangepast aan de grote schommelingen van het zoutgehalte in de loop van het jaar. Het aantal karakteristieke soorten algen, zoals de diatomeeŽn, is vrij groot (Figuur 2). De soortensamenstelling van de levensgemeenschap is sterk afhankelijk van het zoutgehalte. De meeste karakteristieke brakwaterorganismen komen voor bij chloridegehalten tussen 3 000 en 10 000 mg/l. Veel van deze soorten zijn zeldzaam en komen buiten het brakke water nergens anders voor. Veel 'zoete' soorten zijn juist erg gevoelig voor chloride en verdwijnen al bij chloridegehalten boven de 150 mg/l. Omdat zowel de chloridegevoelige als de brakke soorten er niet kunnen voorkomen, zijn wateren met chloridegehalten tussen 150 en 3000 mg/l daardoor meestal relatief arm aan soorten.  


Figuur 2. Al in 1934 ontdekte Remane dat het aantal macrofaunasoorten in het matig brakke gebied van de Oostzee heel laag is. Het aantal soorten fyto- en zoŲplankton (protisten) vertoont dan echter een maximum (Telesh e.a. 2011).

Fytoplankton

Het fytoplankton bereikt soms hoge dichtheden: concentraties van chlorofyl-a van meer dan 0,5 mg/l zijn geen uitzondering. Er zijn slechts weinig echte brakwatersoorten. Net als bij de hogere planten zijn er veel 'zoete' soorten met een hoge zouttolerantie aanwezig. In de winter zijn vooral diatomeeŽn en flagellaten aanwezig, in de zomer naast diatomeeŽn meer groenwieren en cyanobacteriŽn. In zeer brak water zijn er in de zomer meestal minder cyanobacteriŽn. Bij hoge temperaturen en nutriŽntenconcentraties ontstaan er soms waterbloeien van toxische algen. Zo ontwikkelde de dinoflagellaat Alexandrium ostenfeldii (Figuur 3) zich in de zomer van 2012 massaal in de Ouwerkerkse kreek. De alg is mixotroof en kan waarschijnlijk organisch gebonden stikstof en fosfaat, dat vrijkomt na het afsterven van bijvoorbeeld een diatomeeŽnbloei, opnemen (Kamermans e.a. 2013). De bloei werd bestreden door grootschalige toevoeging van waterstofperoxide (Burson e.a. 2014).


Figuur 3. Cellen van Alexandrium ostenfeldii door het microscoop (www.marinespecies.org).


Fytobenthos (o.a. diatomeeŽn)

De benthische diatomeeŽn vertonen een sterke relatie met het zoutgehalte. Daarvan zijn vele echte brakwatersoorten. Nog steeds worden daarvan nieuwe soorten beschreven (Mertens e.a. 2014). Van de grotere algen zijn vooral Vaucheria, Enteromorpha (darmwier) en Cladophora karakteristiek. Er zijn aanwijzingen dat de biomassa van deze algen afhankelijk is van de nutriŽntenconcentratie. Bij eutrofiŽring kunnen ze hogere planten verdringen.


Figuur 4. De soorten van het kiezelwierengeslacht Diploneis komen in wateren met verschillende zoutgehaltes voor (Van der Werff & Huls 1957 Ė 1974, maatstreep = 0,01 mm).


Macrofyten

In brak water komen maar weinig soorten waterplanten voor. Als het water helder genoeg is, zijn de zeldzame Ruppia's en Zannichellia's te vinden. Verder zijn vooral soorten aanwezig die vanuit uit het zoete water ver het brakke water ingaan, zoals Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus). De oevervegetatie is soortenrijker, met vooral veel Heen (Bolboschoenus maritimus, Figuur 5), Riet (Phragmites australis) en ruigtekruiden. In de huidige situatie van de Zeeuwse brakke binnenwateren zijn vooral de chlorideconcentraties en daarnaast de hydromorfologie (breedte, aard ondergrond) belangrijker voor de differentiatie in soortensamenstelling van de macrofyten dan de nutriŽnten (Van Dam 2013).

Figuur 5. Langs veel brakke Zeeuwse wateren komt een dichte gordel van Heen voor (foto: Waterschap Scheldestromen).

ZoŲplankton

Het zoŲplankton kent weinig specifieke brakwatersoorten: er zijn relatief veel Wimperdiertjes (Ciliata) en Eenoogkreeftjes (Copepoda) en weinig filterfeeders te vinden in brak water. Wel komen de larven van predatoren als Aasgarnaal (Neomysis integer) - en Brakwatersteurgarnaal (Palaemonetes varians) veel voor.

Figuur 6. Daphnia magna is een van de weinige soorten watervlooien die in brak water wordt aangetroffen (Notenboom-Ram 1981)

Macrofauna

Vooral in matig brakke wateren is de macrofauna soortenarm (Figuur 2). Sommige soorten zijn echter zeer karakteristiek. In licht brakke wateren komen meer insecten en slakken voor, in sterk brakke wateren vooral kreeftachtigen (Figuur 7), hoewel er ook enkele specifieke brakwaterinsecten zijn. De biomassa van de macrofauna neemt toe met de voedselrijkdom, waar vooral vogels van profiteren. In de huidige situatie van de Zeeuwse brakke binnenwateren zijn vooral de chlorideconcentraties en daarnaast de hydromorfologie (breedte, aard ondergrond), het verschil tussen zomer- en winterpeil en de aanwezigheid van een goed ontwikkelde laag van ondergedoken waterplanten zijn voor de differentiatie in soortensamenstelling van de macrofauna. In de zwak brakke wateren is ook de sulfaatconcentratie differentiŽrend (Van Dam 2013).


Figuur 7. De tot enkele centimeters lange vlokreeft Gammarus zaddachi komt bij zeer verschillende zoutgehalten voor (Foto: David Tempelman).

Vissen en vogels

Vissen en vogels vormen een essentieel onderdeel van een goed functionerend brakwatersysteem. In licht tot matig brakke wateren komen nog steeds zoetwatervissen voor, maar niet in sterk brakke wateren. Karakteristiek voor brakke wateren met verbindingen naar de estuaria is de Brakwatergrondel (Pomatoschistus microps). De soort ontbreekt daardoor in geÔsoleerde brakke wateren.&nbsp; De biomassa van vis in brakke wateren is vaak laag (Van der Molen e.a. 2012, Herder e.a. 2012). Soorten als brasem woelen de bodem op, waardoor het water vertroebelt.

Brakke plassen zijn belangrijke foerageergebieden voor vogels. Vooral waadvogels, zoals Lepelaars (Platalea leucorodia) en Kluten (Recurvirostra avosetta), zoeken in ondiepe brakke plassen naar voedsel, zoals garnaaltjes (Figuur 8). Diepere brakke wateren trekken duikende watervogels aan, zoals de Dodaars (Tachibaptus ruficollis). Begrazing door watervogels verhindert dat brakke plassen geheel dichtgroeien en draagt daardoor bij aan de instandhouding van een pioniersituatie. Daarin is er ruimte voor Ruppiaís, Zannichelliaís en Kranswieren om te kiemen en zich te vestigen (Loeb &amp; Lamers, z.j.).

Figuur 8. Kluut bij brak water (http://nl.wikipedia.org).

Streefbeeld

Voor een goed functionerend brakwatersysteem zijn de volgende aandachtspunten van belang (Van Dam 2002):

Zoutgehalte: het zomermaximum mag niet meer dan drie maal zo hoog zijn dan het winterminimum. In de zomer moet het hoog zijn en in de winter laag. De samenstelling van flora en fauna moet een goede afspiegeling zijn van het zoutgehalte. Voedingsstoffen: als ondergedoken waterplanten als Ruppia's tot doel worden gesteld, moet het water helder zijn en moet het P-totaal onder de 1 mg/l blijven. Wateren die troebel mogen zijn, kunnen een hoge biomassa macrofauna (voer voor vogels!) bevatten bij veel hogere concentraties voedingsstoffen. Op de oevers komt dan mogelijk nog een zilte flora voor, met bijvoorbeeld Melkkruid (Glaux maritima), Zilte rus (Juncus gerardii) en Zeekraal (Salicornia europaea). Zuurstofhuishouding: verzadigingspercentage tussen 70 en 120%, biochemisch zuurstofverbruik 6 mg/l, ammoniumstikstof &lt; l1 mg/l. Inrichting en beheer: zo mogelijk natuurvriendelijke oevers met begroeiing van oeverplanten en een doorzicht van meer dan 0,7 m om de ontwikkeling van waterplanten te stimuleren. Waterhuishouding: natuurlijke peilfluctuaties en geen droogval langer dan een paar dagen per jaar. Natuurwaarden: een zo groot mogelijk aantal kenmerkende soorten macrofauna, macrofyten, fytoplankton en kiezelwieren, oeverbegroeiing van opgaande planten, overgaand naar zilt grasland. In gebieden waar wordt ingezet op vissen en vogels een zo hoog mogelijke productiviteit van het bodemleven.

Instrumenten

Voor brakke wateren is door Van Dam (2002) een ecologisch beoordelingssysteem (EbeoSys) ontwikkeld, dat ook is opgenomen in Franken e.a. (2006).&nbsp; De beÔnvloedingsfactoren en karakteristieken van het systeem zijn zouthuishouding, trofie, saprobie, structuur, troebelheid en kenmerkendheid. Hierdoor sluit het systeem goed aan op het ecologisch functioneren en de streefbeelden. De kenmerkendheid geeft aan in hoeverre er specifieke brakwatersoorten met een hoge natuurwaarde voorkomen. Het is absoluut noodzakelijk dat alle daarin genoemde maatstaven worden gebruikt. Alleen het gebruik van de soortensamenstelling van zoŲplankton wordt slechts aanbevolen voor speciale projecten (bijvoorbeeld restauratie van grotere, open wateren). Voor elk van de maatstaven is een maatlat ontwikkeld. De hoogte van de scores op de maatlatten bepaalt het ecologisch niveau voor de betreffende karakteristiek. Een zelfde score kan in elk van de hoofd- en subtypen echter leiden tot een verschillend ecologisch niveau. De beoordeling kan worden uitgevoerd met het programma EbeoSys (www.ecosys.nl).

Voor de Kaderrichtlijn Water zijn maatlatten ontwikkeld voor de typen M30 (zwak brakke wateren), M31 (kleine brakke tot zoute wateren) en M32 (grote brakke tot zoute meren), gebaseerd op soortensamenstelling en abundantie van fytoplankton, macrofyten, macrofauna, vis, enkele fysisch-chemische variabelen (zuurstofhuishouding, chloride, pH, nutriŽnten en doorzicht) en enkele hydromorfologische kwaliteitselementen. Als stressoren voor deze maatlatten worden vooral grote fluctuaties in het chloridegehalte en hoge nutriŽntenconcentraties beschouwd (Van der Molen e.a. 2012). De beoordeling kan worden uitgevoerd met het programma QBWat (www.roelfpot.nl) of met het informatiesysteem DAWACO (www.dawaco.com).

&nbsp;AqMaD ( Aquatische Macrofyten Diagnose ) is een geschikt instrument voor het identificeren van fysische en chemische knelpunten in een oppervlaktewaterlichaam op basis van een vergelijking tussen waargenomen en gewenste water&shy;- en oeverplanten (Riegman 2007, Van Oorschot e.a. 2012). Wanneer de waarde van een parameter in de huidige situatie significant afwijkt van die in het gewenste milieu, dan vormt deze parameter een potentieel knelpunt voor het bereiken van het referentiebeeld. De mate waarin een milieufactor afwijkt wordt kwantitatief berekend. Wanneer er meerdere factoren suboptimaal zijn, krijgt men een indruk van mogelijke oorzaken zoals overbemesting, te intensief beheer en onderhoud, of het storten van bagger op de oevers. Ook verkrijgt men informatie over de hydromorfologie: te steile oevers, te diep, te weinig stroming, stabilisatie van het waterpeil, enzovoort. &nbsp;De beoordeling kan worden uitgevoerd met het programma van Van Oorschot e.a. (2012).

De KRW Verkenner is een instrument voor het in kaart brengen van ecologische effecten van maatregelen op stroomgebied niveau. Er zijn door Deltares modules voor zwak brakke (type M30) en brakke tot zoute (type M31) wateren ontwikkeld.

Knelpunten

Veel landbouwgebieden die onder invloed staan van zoute kwel worden sinds de aanleg van de Afsluitdijk en de Deltawerken doorgespoeld met zoet water. Vooral rondom de voormalige Zuiderzee is het areaal brak water door verzoeting sterk afgenomen. In de overige delen van Nederland zijn veel brakke binnenwateren verdwenen door dijkversterking, waardoor de dijken veel minder doorlaatbaar zijn geworden en kleine plasjes achter de dijk vaak zijn verdwenen (habitatvernietiging).

Indien zoet water van elders wordt aangevoerd wordt in wateren met omgekeerd peilbeheer het zoutgehalte in de zomer vaak lager dan in de winter, terwijl het van nature andersom is.

Karakteristieke ondergedoken waterplanten als Ruppia en Zannichellia verdwijnen bij eutrofiŽring. Ze ontwikkelen zich alleen in helder water, waarvoor lage nutriŽntenconcentraties noodzakelijk zijn. Bij aanvoer van nutriŽnten, bijvoorbeeld door uit- en afspoeling van landbouwpercelen of met grondwater wordt de groei van fytoplankton, kroos en draadwieren bevorderd. Dat neemt licht weg en in de door deze planten gevormde weke modder kunnen ook de pioniersoorten van de Ruppia-klasse niet goed kiemen (Loeb &amp; Lamers, z.j.). Een slecht ontwikkelde onderwatervegetatie is ook ongunstig voor de macrofauna.

De steile oevers van veel brakke sloten en kanalen verhinderen de ontwikkeling van een goede oeverzone. Kleine ondiepe plassen groeien vaak geleidelijk aan dicht met Riet, wat een natuurlijke successie is. Als de successie niet regelmatig wordt teruggezet of als er geen nieuwe plasjes worden gegraven zullen de plasjes op den duur verdwijnen.

Figuur 9. De meeste brakke Zeeuwse sloten worden zeer sterk beÔnvloed door de landbouw (toevoer nutriŽnten, steile oevers, omgekeerd peilbeheer)&nbsp; (Foto: Herman van Dam).


Maatregelen

Door verkleining van het brakwaterareaal zijn ook de brakke levensgemeenschappen sterk achteruitgegaan. Het voortbestaan van vele kenmerkende natuurwaarden van deze gemeenschappen komt hierdoor in gevaar.

Daardoor staat het beleid voor herstel en behoud van deze brakke wateren de laatste jaren steeds meer in de belangstelling. Men is zich er steeds sterker van bewust dat Nederland verantwoordelijk is voor het in stand houden van een keten brakke gebieden langs de kust, waardoor uitwisseling van individuen tussen populaties mogelijk blijft. Brakke binnenwateren zijn namelijk niet alleen binnen Nederland zeldzaam, maar in heel Europa.

Op diverse plaatsen worden verbrakkingsexperimenten in veld en laboratorium uitgevoerd om de karakteristieke levensgemeenschappen weer een kans te geven, zie bijvoorbeeld Bouma e.a. (2002, Zuidwest Nederland),&nbsp; Van Dijk e.a. (2012, Laag-Holland), De Ruiter e.a. (2012, Oostvoornse Meer). Verwacht wordt dat door klimaatverandering het zoutgehalte van grond- en oppervlaktewater weer gaat toenemen ( Oude Essink 2007). Het is de vraag of dit zonder meer vertaald zal kunnen worden in een toename van de natuurwaarden van brakwatergebieden ( Paulissen e.a. 2007, Besse-Lototskaya &amp; Verdonschot 2010). Er zijn plannen om bij de Afsluitdijk een zoet-zoutgradiŽnt tussen IJsselmeer en Waddenzee te creŽren.


Figuur 10. Verbrakkingsexperimenten in het Ilperveld (Van Dijk e.a. 2012).


Verder lezen?

In verschillende rapporten en is meer achtergrondinformatie over binnendijkse brakke wateren te vinden, zoals CUWVO (1988), Werkgroep Brakke Wateren&nbsp; (1996), Van Beers &amp; Verdonschot (2000), Bal e.a. (2001), Van Dam (2002), Bijkerk (2010), Van der Molen e.a. 2012 en Van Dam (2013). Zie ook www.natuurkennis.nl (Natuurtypen / Stilstaande wateren (N04) / Brak water (N04.03).

Literatuur

Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal &amp; F.J. van Zadelhoff&nbsp; (2001): Handboek Natuurdoeltypen (2e editie). Rapport 2001/020. Expertisecentrum LNV, Wageningen. 832p.

Beers, P.W.M. van &amp; P. Verdonschot (2000): Natuurlijke levensgemeenschappen van de Nederlandse binnenwateren. Deel 4. Brakke binnenwateren. Achtergronddocument bij het Handboek Natuurdoeltypen in Nederland. Rapport EC-LNV AS-04. Expertisecentrum LNV, Wageningen. 80p.

Besse-Lototskaya, A.&amp; P. Verdonschot (2010): Hoe kwetsbaar zijn onze waterecosystemen voor klimaatverandering?. H2O 43(14/15): 27-29.

Bouma, S., S.M. Veen &amp; G.H. Bonhof (2002): Proefgebieden herstel zoet-zout overgangen in het Deltagebied: een beschrijving van 15 projecten. Rapport 02-158. Bureau Waardenburg, Culemborg. 103p.

Burson, A., H.C.P. Matthijs, W. de Bruijne, R. Talens, L.A.P. Hoogenboom, A. Gerssen, P.M. Visser, M. Stomp,&nbsp;K. Steur,&nbsp;Y. van Scheppingen &amp; J. Huisman (2014): Termination of a toxic Alexandrium bloom with hydrogen peroxide. Harmful Algae 31: 125-135.

Bijkerk, R. (red.) (2010): Handboek hydrobiologie. Biologisch onderzoek voor de ecologische beoordeling van Nederlandse zoete en brakke oppervlaktewateren. Rapport 2010/28. STOWA, Amersfoort

CUWVO (1988): Ecologische normdoelstellingen voor Nederlandse oppervlaktewateren.&nbsp; CoŲrdinatiecommissie Uitvoering Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren, Werkgroep V-1, Den Haag. 154p.

Dam, H. van&nbsp; (red.) (2002): Ecologische beoordeling van brakke binnenwateren. Rapport 2002-01. STOWA, Utrecht. 103p. + CD-ROM.

Dam, H. van&nbsp; (2013): Evaluatie waterkwaliteitsnet Waterschap Scheldestromen: trendanalyse en opzet variabel meetnet. Rapport AWN 1017. Herman van Dam, Adviseur Water en Natuur, Amsterdam. 243p.

Dijk, G. van, R. Loeb, F. Smolders &amp; P.-J. Westendorp (2013): Verbrakking in laag Nederland: bedreiging of kans. H2O 46(3): 38-39.

Franken, R.J.M., J.J.P. Gardeniers &amp; E. Peeters (2006): Handboek Nederlandse ecologische beoordelingssystemen (EBEO-systemen), Deel A. Filosofie en beschrijving van de systemen. Rapport 2006-4. STOWA, Utrecht. 255p. + CD-ROM.

Herder, J., J. Kranenbarg, D. Hoogeboom, J. Hamers &amp; K. Dekker, (red.) (2012): Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012.&nbsp; Landschap Noord-Holland, Heiloo / Stichting RAVON, Nijmegen. 191p.

Kamermans, P., A. Blanco, M. Poelman (2013): Risico beoordeling opbloei Alexandrium ostenfeldii in het Kustlaboratorium en mitigerende maatregelen. Rapport C161/13: 37p.

Loeb, R., L. Lamers (z.j.): Brakke plas.&nbsp; www.natuurkennis.nl [Natuurtypen / Stilstaande wateren (N04) / Brak water (N04.03)] (geraadpleegd op 18/8/14).

Mertens, A., A. Witkowski, H. Lange-Bertalot, L. Ribeiro &amp; E. Rhiel, (2014): Navicula meulemansii sp. nov. (Bacillariophyceae) from brackish waters in Europe and the U.S.A. Nova Hedwigia 98: 201-212.

Molen, D.T. van der, R. Pot, C.H.M. Evers &amp; L. van Nieuwerburgh (red.) (2012): Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water 2015-2021. Rapport 2012-31. STOWA, Amersfoort. 378p.

Notenboom-Ram, E. (1981): Verspreiding en ecologie van de Branchiopoda in Nederland. RIN-rapport 81/14. Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Leersum. 95p.

Oorschot, M. van, G. van Geest, A. de Niet &amp; R. Riegman (2012): Handleiding AqMad 2.0 macrofyten. Rapport 2012-09. STOWA, Amersfoort. 28p.

Oude Essink, G. (2007): Effect zeespiegelstijging op het grondwatersysteem in het kustgebied. H2O 40(19): 60-64.

Oude Essink, G., P. de Louw, S. Stevens, B. de Veen, C. Prevo, V. Marconi &amp; B. Goes (2007): Voorkomen en dynamiek van regenwaterlenzen in de Provincie Zeeland - resultaten van een verkennende en provinciedekkende meetcampagne. Rapport 2007-U-R0925. TNO Bouw en Ondergrond, Utrecht. 132p.

Paulissen, M., E. Schouwenberg, J. Velstra &amp; W. Wamelink (2007): Hoe gevoelig is de Nederlandse natuur voor verzilting. H2O 40(18): 40-43.

Remane, A. (1934): Die Brackwasserfauna. Verhandlungen der deutschen zoologischen Gesellschaft 36: 34-74.

Riegman, R. (2007): Aquatische Macrofyten Diagnose (AqMaD) en Prognose: AqMaPro.&nbsp; Riegman &amp; Starink, Vledder. 4p.

Ruiter, H. de, F. Kuipers, H. Sessink &amp; F. Benoist (2012): Oostvoornse Meer: van brak naar zoet en weer terug naar brak. H2O 45(20): 16-18.

Telesh, I.V., H. Schubert &amp; S.O. Skarlato (2011): Revisiting Remane's concept: evidence for high plankton diversity and a protistan species maximum in the horohalinicum of the Baltic Sea. Marine Ecology Progress Series 421: 1-11.

Werff, A. van der &amp; H. Huls (1957-1974): DiatomeeŽnflora van Nederland. Abcoude, De Hoef.

Werkgroep Brakke Wateren&nbsp; (1996): Levensgemeenschappen van brakke wateren: aanzet tot beschrijving en bescherming. Themanummer WEW 05. Werkgroep Ecologisch Waterbeheer. 18p.

 

 


Bijgewerkt: 8 september 2014   door: Herman van Dam - versie 8
Grootste bijdrage door: Herman van Dam ( 93 % )
Tweede lezer: Rob van de Haterd
Openbaar: voor iedereen zichtbaar