Wiki Ecologische Waterbeoordeling WEW-lid? Log dan vooral in:
B. Technisch deel > 2. Watertypen   |   vorige  |  volgende 
  Geschiedenis
Lezen
Bewerken
Overleg

2. Sloten en kanalen

1. Definitie van sloten en kanalen / polderlandschappen 

Het Nederlandse polderlandschap wordt bij uitstek gekenmerkt door de vele sloten en kanalen (ook weteringen, tochten of vaarten genoemd) die in de loop der eeuwen zijn gegraven, vergraven en weer dichtgegooid. Sloten en kanalen worden, conform de definitie in de KRW, opgevat als lijnvormige, gegraven wateren, waarbij sloten smaller en kanalen breder dan 6 meter zijn. Een kanaal hoeft dus geen scheepvaartfunctie te hebben om een kanaal te zijn, het kan ook uitsluitend een functie hebben voor het waterbeheer. 


Sloten en kanalen onderscheiden zich van ondiepe meren door een aantal masterfactoren

  • dimensie (lang en smal), waardoor het type een relatief grote oeverlengte heeft, relatief ondiep is en relatief weinig wind vangt;
  • het optreden van stroming en daaraan verbonden een relatief kortere verblijftijd dan de meeste meren (er zijn echter ook meren die sterke doorspoeling hebben en sloten met weinig afvoer).
  • Sloten zijn door de mens gegraven en worden beheerd en onderhouden

Sloten en kanalen onderscheiden zich van stromende wateren door het niet permanent en niet altijd in dezelfde richting optreden van stroming, waardoor de verblijftijd in vergelijking met stromende wateren relatief lang is. Sterk gestuwde beken waarin het water meestal stil staat hebben meer kenmerken van sloten dan van stromende wateren.

Onderstaande tekst behandeld uitsluitend de zoete, sterk gebufferde sloten en kanalen, dus geen zwak gebufferde en brakke wateren.


2. Functioneren

Maatschappelijke functies

Sloten en kanalen zijn primair gegraven voor de waterbeheersing en het transport over water. De waterbeheersing is momenteel de belangrijkste functie van sloten en kanalen. Door verbetering van het wegennet is de transportfunctie in de loop der eeuwen minder belangrijk geworden en feitelijk alleen nog van toepassing op de grotere kanalen (binnenvaart). Daarnaast worden sommige kanalen recreatief gebruikt; vaak rust op die kanalen overigens geen formele scheepvaartfunctie meer.

 

Daarnaast vormen sloten en kanalen een belangrijk aandeel van ons oppervlaktewater en daarmee ook van ons aquatische ecosysteem. Daarmee hebben sloten en kanalen ook een belangrijke ecologische functie, ook al hebben ze die functie beleidsmatig vaak niet. Sommige soorten komen in Nederland met name in sloten en kanalen voor, zoals de groene glazenmaker en grote modderkruiper.

 

Hydrologie

Een van de belangrijkste kenmerken van sloten en kanalen is dat het waterpeil vrijwel altijd gehandhaafd wordt (streefpeil). In agrarisch gebied, waar de meeste van deze wateren liggen, is het streefpeil of het hele jaar hetzelfde (vast peil), of het zomerpeil is hoger dan het winterpeil (tegennatuurlijk peil). In natuurgebieden vinden we wel eens hogere peilen in de winter of zelf een flexibel peil tussen bepaalde grenzen. Om het peil te handhaven is afvoer in tijden van neerslagoverschot en aanvoer in tijden van droogte noodzakelijk. Inherent aan deze functie is dan ook dat zowel sloten als kanalen een deel van de tijd stromen en dat deze stroomrichting ook om kan keren. In praktijk is de stroming in sloten en kanalen meestal gering. Hogere stroomsnelheden (vergelijkbaar met beken) komen vrijwel alleen voor nabij gemalen, inlaten, duikers of andere kunstwerken.

 

Sloten en kanalen vormen samen het watersysteem van een polder en kunnen niet los van elkaar gezien worden. Toch zijn er belangrijke verschillen in dimensie (breedte en diepte), belasting en verblijftijd. De dimensie van het water is over het algemeen afgestemd op de hoeveelheid water die er in een afvoersituatie doorheen moet (uitzondering: aanvoersloten voor specifieke doeleinden zoals fruitteeltberegening). Over het algemeen is de belasting van kanalen hoger en de verblijftijd korter dan die van sloten. Dit hangt echter samen met de wijze van inlaat en afvoer. Een poldersysteem heeft vrijwel altijd maar ťťn afvoerpunt, maar kan meerdere aanvoerpunten hebben. De afvoer kan plaatsvinden onder vrij verval (via een stuw), als het naastgelegen watersysteem een lager peil heeft. Als dat niet het geval is, wordt de polder bemalen met een gemaal. In veel gevallen wordt water ingelaten nabij het uitlaatpunt. Nabij het gemaal wordt dan vrijwel constant water op en neer gepompt, terwijl in de haarvaten (sloten) de verblijftijd zeer lang kan zijn en vrijwel uitsluitend gevoed worden door neerslag en grondwater.

 

Indien het water op een andere plaats wordt ingelaten dan het uitlaatpunt, is de situatie complexer en is de verblijftijd door de polder ook gedifferentieerder. Meestal stroomt het water echter via de Ďweg van de minste weerstandí door de primaire wateren en blijft de verblijftijd in sloten vrij lang. Nog complexer is de situatie als er meerdere inlaatpunten zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij lintbebouwing in het veengebied. Rondom de bebouwing liggen zogenaamde hoogwatervoorzieningen, waaruit permanent via een groot aantal stuwtjes water de polder in sijpelt.

 

Bemalen poldersystemen hebben een gemiddelde verblijftijd in de orde van 1-3 weken (schatting op grond van modelgegevens uit de gebieden van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Hollandse Delta). De verblijftijd in het primaire systeem (kanalen) ligt in de orde van enkele dagen tot maximaal een week en de verblijftijd in de haarvaten (sloten) naar schatting in de orde van maanden.

 

Ecologisch functioneren

Algen

De algengroei in poldersystemen is, net als in ondiepe meren, sterk afhankelijk van de belasting en de verblijftijd. Systemen met een lange verblijftijd, grofweg meer dan 20 dagen,  zijn procesgestuurd. Dat wil zeggen dat de algensamenstelling grotendeels lokaal ontstaat en afhangt van de belasting. Systemen met een verblijftijd korter dan 10 dagen zijn grotendeels verblijftijdgestuurd. Dat wil zeggen dat de algengroei in het systeem vrijwel verwaarloosbaar is en de algenconcentratie dus bepaalt wordt door de concentratie in het aangevoerde water. Echter, de aanvoer in poldersystemen komt veelal uit het achterland. "Honkvaste" algen in sloten zal men ook vaker vinden als aangroei op waterplanten of palen en beschoeiing. Met name diatomeeŽn vormen dan een handzaam identificatie middel. Een kanaal met een korte verblijftijd krijgt een groot deel van zijn water uit het achterliggende poldergebied. Als daar sloten liggen met een hoge belasting (uit landbouwgronden) en een lange verblijftijd, dan heeft het kanaal dus een hoge concentratie algen.  Een opvallend verschijnsel  in sloten in het vroege voorjaar is het optreden van flap-dekens. Deze dekken voornamelijk bestaand uit draadalgen, drijven op van de bodem door fysiologische activiteit en verdwijnen in de loop van het voorjaar weer. Dit verschijnsel kan waargenomen worden in voedselrijkere sloten, maar ook in sloten in natuurgebieden zonder zware bemesting.

Vegetatie

Het voorkomen van voldoende vegetatie, met voldoende diversiteit, is een sturende factor in sloten en kanalen omdat de fauna daar weer mede afhankelijk van is. Het voorkomen van ondergedoken vegetatie wordt in sterke mate bepaalt door het profiel in relatie tot het doorzicht. Vegetatie kan in principe voorkomen tot ongeveer 1,7 keer het doorzicht (Scheffer, 1998), daaronder treedt lichtgebrek op. Het doorzicht wordt in sterke mate bepaalt door de hoeveelheid algen en deeltjes (klei, veen of slib) in het water. De maximale diepte in (het midden van) sloten is over het algemeen enkele decimeters tot ruim een meter, kanalen zijn meestal enkele meters diep. Aangezien het doorzicht meestal enkele decimeters tot een meter is, kunnen er in sloten vrijwel altijd planten groeien en in het midden van de meeste kanalen niet.  


Naast doorzicht kunnen ook golfslag en stroming (door wind, scheepvaart en waterbeheer) een belemmering vormen voor de plantengroei. Ten eerste hebben deze factoren effect op het doorzicht door opwerveling van sediment, daarnaast kan sterke golfslag en stroming in theorie planten ontwortelen en wegspoelen. In tegenstelling tot meren, is in de sloten en kanalen de windwerking te gering om fysieke effecten op de plantengroei te hebben. Dit geldt op de meeste plaatsen ook voor stroomsnelheden als gevolg van waterbeheer. Deze mogen volgens gangbare normen nooit hoger worden dan 30 cm/sec, met uitzondering van locaties vlak bij het gemaal of bij een duiker. Recreatieve of beroepsscheepvaart kan in druk bevaren kanalen wel invloed op de vegetatie hebben, daarom wordt bij de beoordeling voor de KRW ook rekening gehouden met de aanwezigheid van intensieve scheepvaart. Ook toeristisch gebruik wil nog wel een leiden tot het inzetten van de maaiboot, waardoor o.a.kostbare Krabbenscheervegetaties het loodje leggen.


In zeer voedselrijke wateren (met een hoge nutriŽntenbelasting) domineren algen of kroosachtigen, soms zijn drijfbladplanten als gele plomp nog wel aanwezig. Bij voldoende doorzicht vestigen zich ondergedoken waterplanten en ontwikkelen zich ook betere drijfbladzones. Het type ondergedoken waterplanten dat kan voorkomen, wordt in sterke mate bepaald door de kwaliteit van de waterbodem. Bij voedselrijke waterbodems wordt de vegetatie meestal gedomineerd door soorten als Grof hoornblad, Smalle waterpest of Sterrenkroos. Bij een minder voedselrijke bodem neemt de soortenrijkdom toe en kan een diverse vegetatie ontstaan met onder meer fonteinkruiden en/of kranswieren en zelfs tot velden Krabbenscheer. Deze laatste situatie is in de KRW het uitgangspunt voor een goede toestand (GEP).


Naast de watervegetatie speelt de oevervegetatie in sloten en kanalen een belangrijke rol, alleen al door de relatief grote oppervlakte van de oevers. Ook de oevervegetatie wordt in sterke mate bepaald door de voedselrijkdom (van de bodem en uitspoeling uit het aangrenzende perceel). Daarnaast is het profiel (steil of flauw), het peil en het beheer van belang. Bij voedselrijke, gemaaide oevers komt riet vaak voor en kan daar ook sterk domineren. Intensief begraasde oevers zijn meestal begroeid met liesgras of mannagras, of oneetbare soorten als kalmoes. Door de begrazing blijven deze oevers meer open en is er ruimte voor kruiden als moerasvergeet-mij-nietje. Bij minder voedselrijke oevers neemt de diversiteit toe en komen ook soorten als zegges, gewone waterbies, moeraswederik of dotterbloem voor. 

Macro-invertebraten

De fauna is afhankelijk van voldoende habitatstructuren, waarvan de vegetatie een van de belangrijkste is. In het algemeen geldt hoe groter de diversiteit in habitatstructuren is, hoe groter ook de diversiteit in de fauna. In sloten en kanalen heeft de oevervegetatie een relatief groot areaal en is dus van grote invloed op de fauna, maar ook de aanwezigheid van waterplanten met verschillende groeivormen. In het ideale geval gaat de zone met oeverplanten geleidelijk oever in de zone met waterplanten, en is er daarnaast ook nog onbegroeid water aanwezig. Opvallend is het verschijnsel dat ondanks de grote invloed van de mens door het beheer er toch gesproken kan worden van leefgemeenschappen en soortencombinaties van macro-invertebraten in sloten, hetgeen tot begin jaren 80 van de vorige eeuw nog onbekend en in discussie was.


Daarnaast is ook de waterkwaliteit voor de fauna van belang. Een hoge belasting met nutriŽnten of organische vervuiling leidt tot periodiek lage zuurstofconentraties en snelle vorming van bagger. Dit alles leidt weer tot dominantie van algemene soorten en afname van bijzondere soorten.  

Vis

De visstand in sloten en kanalen is sterk afhankelijk van de aanwezige vegetatie en de isolatie. Grote, diepe kanalen zonder vegetatie hebben meestal een hoge visbiomassa gedomineerd door brasem. In kleinere wateren met meer vegetatie is het aandeel plantminnende vis veel hoger. In ondiepe sloten met een dikke baggerlaag kunnen de zuurstofconcentraties erg laag worden. Hetzelfde gebeurt 's-nachts in sloten met een hoge vegetatiebiomassa (denk aan dominanties van waterpest). Slechts een beperkt aantal soorten kunnen hier goed tegen (zeelt, kroeskarper). Het ontbreken van migrerende vis, met name aal, in poldersystemen is een goede indicatie dat de verbindingen naar de grote rivieren onvoldoende zijn. Migratievoorzieningen, zoals het vispasseerbaar maken van gemalen en stuwen zijn dan vaak gewenst. Aan de andere kant is het discutabel of alles met alles verbonden moet worden. Ten eerste zijn vismigratievoorzieningen duur, ten tweede zijn er ook soorten die gebaat zijn bij isolatie, zoals de strikt beschermde grote modderkruiper. 

3. Instrumenten voor diagnose, systeemanalyse en beoordeling

  • EBEOSYS is een combinatie van vijf beoordelingssystemen die door de STOWA ontwikkeld zijn en waarvan EBEOSLO en EBEOKAN ontwikkeld zijn voor de beoordeling van sloten respectievelijk kanalen. Dit beoordelingssysteem is diagnostisch van aard.
  • QBWat. Beoordeling van de ecologische kwaliteit volgens de KRW-maatlatten. Het eindoordeel geeft alleen de ecologische kwaliteit. Het systeem is niet opgezet als diagnostisch instrument en daar dus ook maar in zeer beperkte mate geschikt voor.
  • Milieu- en habitatpreferenties van Nederlandse macrofauna. Feitelijk is dit een excel-tabel met een cijfermatige indicatie van macrofaunasoorten voor verschillende milieufactoren en habitats. In het begeleidende boekje zijn voorbeelden van gebruik van deze gegevens gepresenteerd. Op de pagina van dit instrument is ook een voorbeeld van een multi-metrix amoebe gepresenteerd, gebaseerd op dit systeem.
  • Ecologische Sleutelfactoren zijn een denkkader dat helpt om bij een systeemanalyse de relevante vragen te stellen, de juiste informatie te achterhalen, hoofdzaken van bijzaken te scheiden en de ecologische toestand helder te communiceren.
  • Het opstellen van een water- en stoffenbalans helpt om de water- en stofstromen in de polder in beeld te krijgen en zicht te krijgen op verblijftijden en belastingen.
  • PC-Ditch is een model dat is afgeleid van PC-Lake en specifiek is bedoeld voor lijnvormige wateren. Op basis van specifieke kenmerken als debiet (verblijftijd), nutriŽntenbelasting en bodemeigenschappen wordt het ecosysteem gesimuleerd. Het model kan gebruikt worden om de kritische belasting te bepalen, die vergeleken kan worden met de huidige belasting. 
  • AqMAD identificeert fysische en chemische knelpunten in een oppervlaktewaterlichaam op basis van de aanwezige water- en oeverplanten.

4. Knelpunten en maatregelen

Belasting

De belangrijkste oorzaak van de slechte waterkwaliteit in veel sloten en kanalen is de te hoge belasting met nutriŽnten. Deze is afkomstig van de uitspoeling van meststoffen, en in veengebieden ook de oxidatie van veen door ontwatering. Een andere belangrijke potentiŽle bron is nalevering uit de waterbodem, waarin nutriŽnten zijn opgeslagen door de jarenlange hoge belasting. Het aanpakken van deze bronnen is niet eenvoudig, zeker niet omdat het merendeel van de polders in agrarisch gebruik zal blijven. Belangrijke mogelijk maatregelen zijn het vrijwillig of via wetgeving verlagen van de bemesting en het instellen van bufferstroken langs sloten (lijst Rijn-west er nog eens bijpakken). In veengebieden is ook het waterpeil een belangrijk aandachtspunt.

Bagger

In veel sloten en kanalen ligt een dikke baggerlaag, die de ecologische ontwikkeling ernstig beperkt. Baggeren is hier een meestal effectieve maatregel, maar baggeren is ook relatief duur. Baggeren vormt een grote verstoring van het ecosysteem, en de frequentie dient dus relatief laag te zijn (minder dan eens per 5-8 jaar) maar is meestal noodzakelijk voor behoud van een goede waterkwaliteit. Aanvullend kan het beperken van de bronnen van bagger dus een effectieve en zelfs goedkope optie zijn.  

Beheer

Sloten en kanalen bestaan bij de gratie van beheer. Zonder een regelmatig maai- en schoonbeheer groeien de meeste sloten binnen enkele jaren helemaal dicht. Vanuit natuurkwaliteit is het overigens geen probleem om een deel van de sloten te laten verlanden, maar dit valt buiten de scope van deze tekst. Bij het beheer worden planten in het water en op de oever verwijderd en soms ook een deel van de baggerlaag of bodem. Meestal vind dit schonen jaarlijks plaats, maar sommige kanalen worden meerdere malen per jaar schoongeveegd.  Vanuit ecologisch oogpunt moet het schonen niet vaker dan eens per jaar en gefaseerd in ruimte te tijd gebeuren (dus niet een hele polder tegelijk en bij voorkeur in een sloot eenzijdig begroeiing laten staan. De mate waarin is natuurlijk afhankelijk van de mate van doorstroming en de hydrologische functie. De groeiexplosies van invasieve planten zoals waterteunisbloem, grote waternavel en ongelijkbladig vederkruid kunnen  een aangepast schoningsbeheer noodzakelijk maken, omdat de hydrologische functie anders in de knel komt.  

5. Literatuur

Bloemendaal FHJL & JGM Roelofs (red. 1988). Waterplanten en waterkwaliteit. Stichting Uitgeverij KNNV.
Peeters E, J van Zuidam, R Verdonschot & A Veraart (2014). Ecologisch functioneren van sloten. Stichting Uitgeverij KNNV.

 

 


Bijgewerkt: 5 februari 2016   door: Rob van de Haterd - versie 10
Grootste bijdrage door: Rob van de Haterd ( 84 % )
Tweede lezer: Boudewijn Beltman
Openbaar: voor iedereen zichtbaar